| Hieronder een artikel dat ik schreef als redacteur van HTV De IJsberg in 1997. Het is een beetje oud maar het sluit naar mijn idee wel mooi aan bij een aantal van de onderwerpen die op de kenniskringbijeenkomst van 4 april voorbij kwamen. Het is nav een discussieavond over kunst en filosofie. Ik probeer binnen twee weken een wiki-website online te zetten (in principe achter een wachtwoord), daarin maak ik als beloofd een aanzet tot een lijstje discussieonderdelen, een lijstje tips en tricks, en een lijstje projectmodules. Dat is dan door iedereen in de browser direct aan te vullen. Het lijkt mij daarnaast mooi wanneer de deelnemers relevant materiaal aanleveren, in welke vorm dan ook. Groet, Bas De Regels van de Kunst De aporieën van Zeno zijn in de afgelopen eeuwen tientallen malen ontkracht. Het is een lange rij van dikke boeken, want steevast begon een nieuwe ontkrachting met een grondige ontkrachting van de voorafgaande ontkrachting. Om de aporieën hun oorsponkelijke glans te laten behouden volstaat het dus de laatste ontkrachting te weerleggen. Zeno stelde vast dat beweging niet mogelijk is, omdat men tijdens het bewegen altijd ergens moet zijn. Om van A naar B te komen moet men zijn op elk van de oneindige hoeveelheid plekjes die er liggen tussen A en B, en de vraag is waar men is op het moment dat men van het ene oneindig kleine plekje naar het pal daarnaast gelegen oneindig kleine plekje onderweg is. Het schijnt mij toe dat wij, omdat wij kunnen aannemen dat ook de laatste ontkrachting van de aporieën van Zeno ontkracht zal worden, mogen vaststellen of moeten accepteren dat beweging niet mogelijk is. Bovengenoemd proces van stellen en ontkrachten kwam mij voor ogen toen ik een uitnodiging kreeg voor de twaalfde filosofieavond in een reeks met als thema De Regels Van De Kunst. De elf voorafgaande avonden had ik gemist, maar ik had een helder idee van hoe die avonden verlopen waren. De eerste avond waren er natuurlijk regels bedacht, en die waren dan door nieuwe sprekers op de tweede avond ontkracht en vervangen door andere regels, die dan op de derde avond weer ontkracht zouden worden, en zo was het tot de twaalfde avond voortgegaan. Ik vermoedde dat het zo ging, omdat ik het mij niet anders kon voorstellen. We willen regels want een onomschrijfbaar idee bestaat niet. Maar het begrip kunst laat zich niet definieren, per definitie niet, want het vaststellen van zo’n definitie zou kunstenaars er direct toe brengen kunst te maken die niet aan de definitie voldoet. Want zoals bij Zeno beweging onmogelijk is, zo is in de kunst stilstand onmogelijk. Ik belde Merijn Bolink, de kunstenaar die de twaalfde avond zou inleiden en aan wiens vriendschap ik het dankte er voor uitgenodigd te worden, om hem te vragen met welk erfgoed de avond zou beginnen. Het bleek dat ik mij een verkeerd beeld had gevormd. De twaalfde avond had slechts die connectie met de elfde avond dat de plaats van handeling, de voorzitter en het thema hetzelfde waren. Er was geen spel van regels en ontkrachten. Dat is natuurlijk jammer. Jammer voor de twaalfde avond en jammer voor de kunst, want een idee kan niet mooier groeien dan in een strijd om haar bestaan. Ik zeg hierboven dat de aporieën van Zeno met ontkrachting op ontkrachting hun oorspronkelijke glans hebben behouden, maar dat is te zacht uitgedrukt: met elke stelling en ontkrachting wordt de aporie nog eens grondig opgepoetst en dus glimmen de aporieën nu meer dan Zeno ze zelf ooit zag glimmen. Hieronder daarom een weergave en weerlegging van de regels van de twaalfde avond. Daarin formuleer ik nieuwe regels, in de hoop dat iemand deze in het volgende nummer van HTV de IJsberg weerlegt. Als daarbij dan ook weer nieuwe regels ter weerlegging worden aangeboden, dan kan er een serie ontstaan waarin, paralel aan Zeno’s uitsluiting van beweging, wordt bewezen dat ook stilstand niet bestaat. Er werden die avond slechts twee regels van de kunst gebracht. In de inleiding deed Merijn Bolink de eerste regel: Beeldende kunst is per definitie ongeschikt om iets mee uit te leggen of mee duidelijk te maken. Wie iets duidelijk wil maken kan bijvoorbeeld beter een lezing geven, een essay schrijven, of discussiëren. (Bemerk dat in deze regel al een tweede regel verstopt zit, namelijk dat lezingen geven, essays schrijven, en discussiëren geen beeldende kunst is, maar dit maar terzijde.) Beeldende kunst is per definitie ongeschikt om iets mee duidelijk te maken. Toen ik de regel hoorde kreeg ik direct een tegenovergestelde regel in het hoofd: Een overeenkomst tussen alle kunstenaars is dat zij met hun werk iets duidelijk willen maken. Later op de avond bleek een van de panelleden, de filosoof Rob Zwijnenberg, het op een bepaalde manier eens met Bolink: Als een kunstwerk vervangen kan worden door iets anders, dat hetzelfde duidelijk maakt, dan is het geen kunstwerk. (Hij zei uit een foto van een werk van Merijn Bolink en de bijgevoegde tekst te kunnen opmaken dat het werk geen meerwaarde had boven foto + verslag. En stelde dat het daarom geen kunst was.) Beide heren stellen dat kunst niet iets duidelijk kan maken. Je hoort deze mening wel vaker: Duidelijk maken is voor opvoeders, met zulke tertiaire zaken houdt de kunstenaar zich niet bezig. (Het heeft naar mijn idee met het complexe begrip ‘autonoom’ van doen.) Natuurlijk heeft elk bericht zijn beste verschijningsvorm. Als er iets eenduidigs moet worden geduid, bijvoorbeeld dat er in een bepaalde ruimte niet gerookt mag worden, dan is dat het beste duidelijk te maken met een tekst: HIER NIET ROKEN, of middels een tekeningetje van een sigaret met een kruis er door; het is weinig doeltreffend voor deze kwestie een kunstenaar in te schakelen. Als het iets ingewikkelder wordt, wordt het al anders. Bijvoorbeeld de zin: GELIEVE HIER ZO WEINIG MOGELIJK TE ROKEN, is al ondoorgrondelijk; zo weinig mogelijk roken is immers gelijk aan niet roken, of hoe groot moet anders mijn behoefte zijn, voor ik mag roken? Op dergelijke momenten verlang ik naar een dichter, een kunstenaar die mij vertelt van mein en dein en hier en daar en nood die wetten breekt. Een gedicht kan inzicht verschaffen. DIT IS RAAK, zeggen we dan, en verder zeggen we niets, want we willen en kunnen niet zeggen wat we er uit begrijpen zonder weer een nieuw gedicht te maken. Een gedicht maakt ons iets duidelijk, juist door dat wat onduidelijk moet blijven, onduidelijk te laten. In het volwassen leven, waarin weinig eenduidig blijkt te zijn, herbergt ware duidelijkheid altijd onduidelijkheid; zodra men iets wezenlijks echt duidelijk denkt te gaan begrijpen, precies dan ziet men iets over het hoofd. Dan moet er, voor het juiste zicht op de zaak, iets onduidelijk worden. Het is bijvoorbeeld gemakkelijk duidelijk te maken waaraan je kan zien of een pasgeborene een meisje of een jongen is. Maar als die pasgeborene opgroeit, en op zijn twintigste zegt zich altijd al een meisje in een jongenslijf te hebben gevoeld, is het toch iets te boud om vast te houden aan de eenduidige richtlijnen voor het definieren van jongens en meisjes en zal het eenduidige idee plaats moeten maken voor een complexer zicht op de zaak. Wij koesteren gedichten om hun waarheidsgehalte, juist omdat ze niet eenduidig zijn. Gedichten, kunstwerken worden genoten om de waarheid die ze verkondigen, om de werkelijkheid die ze optima forma duidelijk maken. Zonder de kunst zou alles ons uiteindelijk onduidelijk worden. En ik garandeer u, daarom worden gedichten ook geschreven, en schilderijen geschilderd. De schilder die zegt dat het anders is, geloof hem niet; hij wéét niet wat hij wél doet. En daarin schuilt ook meteen het ongelijk van Zwijnenberg: omdat in schilderijen vóór alles een waarheid wordt vastgelegd, een werkelijkheid wordt getoond, daarom is er aan schilderijen altijd iets wezenlijk en iets niet wezenlijk. (Waarbij niet speciaal gedacht moet worden aan conceptuele kunst. In mijn optiek is kunst nooit conceptueel, ik vind de term een tegenstelling in zichzelf.) Als Zwijnenberg stelt dat een werk geen kunstwerk is wanneer het in levende lijve niets meer vertelt dan afgebeeld in een boek, dan gaat hij voorbij aan het wezen van het werk. Elk kunstwerk heeft een wezen, en dat wezen wordt gevormd in de materie. Maar niet alles in de materie van het werk draagt bij aan dat wezen, er zijn ook bijzaken. Niet alles in het schilderij móet er zijn, om het schilderij te laten doen wat het doet. Soms is het formaat niet wezenlijk, soms de kleur niet, dan had het best kleiner kunnen zijn, of roder. Sommige schilderijen kan men ook genieten uit een boek. Ik denk dat Zwijnenbergs regel is ingegeven door angst. Want zodra we erkennen dat er bijzaken in kunstwerken liggen opgeslagen dreigt er een zoektocht naar de Heilige Graal en dat is goeddeels onmogelijk en in principe ongewenst. De graal moet met rust gelaten. Het is niet officieel vast te stellen wat er wezenlijk is aan een kunstwerk en wat niet. Als een schilderij van Newman wordt gerestaureerd in de geest van de schilder dan blijven er twijfels: was het wel precies in de geest van Newman, en was Newman zelf wel in staat te herkennen wat wezenlijk was in zijn schilderij? En dus hebben we liever een restaurateur die het precies herstelt zoals het was, niet naar de geest, maar naar de letter. En hebben we een Shakespeare-vertaling graag zo letterlijk als kan; liever de grootheid geknecht in slappe rijm, dan de betwijfelbare grootheid van iemand die vrij schrijft in de geest van Shakespeare. Want we willen Shakespeare lezen, en niet Schudspier die meent dat hij Shakespeare doorvoelt. Echter: dat we nooit zekerheid hebben over het al dan niet vangen van het wezen van een kunstwerk, laat onverlet dat het kan: Elk schilderij is onder woorden te brengen; niet in een eenduidige toelichting, maar als een gedicht, als een nieuw kunstwerk. Als iemand dat doet, en het lukt, weet niemand zeker dat het is gelukt. Maar het kan geweten worden: God weet het. Bas Könning De bij dit artikel afgebeelde tekening Höhere Wesen befahlen: rechte obere Ecke schwarz mahlen! van Sigmar Polke heb ik uit mijn hoofd nagetekend. Ik heb er geen afbeelding van voor handen. |